In opdracht van Cabiner BV voerde EcoNatura op verscheidene locaties in Drenthe ecologisch onderzoek uit naar de mogelijkheden voor de low ecological impact plaatsing van enkele zeer verspreide cabins of ‘tiny houses’ in natuurgebieden. Deze huisjes voor een afgelegen en off-the-grid natuurbeleving  of ‘wilderness experience’  worden in samenwerking met terrein beherende organisaties geëxploiteerd; in dit geval Staatsbosbeheer.

Deze nieuwe vorm van kleinschalige en verspreide natuurrecreatie wordt onderzocht als alternatief voor geconcentreerde accommodatie, zoals een natuurcamping. Op de locaties is middels een onafhankelijke ecologische beoordeling gekeken of hier geen verstoringsgevoelige natuurwaarden in het geding zijn, in aanvulling op onderzoek door Staatsbosbeheer. Hieruit blijkt dat het dierenleven zich snel aanpast en de cabins met rustige bewoning voor lief nemen; waaronder dassen, marters, vossen en reeën.

EcoNatura mocht bij wijze van proef in een van de nieuwe “Cabiners” overnachten. Een aanrader voor wie rust in de Nederlandse natuur wil beleven.

Erwin van Maanen van EcoNatura raakte sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw gefascineerd door de wolf en zijn leefwijze. Hij volgt de terugkeer van de wolven naar het westen op de voet, sinds de wolf zich weer vestigde in voormalig Oost-Duitsland rond het Millennium. Tegenwoordig doet hij onderzoek naar de ecologie van de wolf in het moderne cultuurlandschap en de hernieuwde relatie tussen wolven en mensen, waaronder ook conflict resolutie.

Onderzoek richt zich mede op de ecologische rol van de wolf en zijn betekenis als ambassadeur voor spontane verwildering of rewilding. Specifiek wordt gekeken naar wat nodig is om verwildering met de wolf in goede verhouding met menselijke belangen te bevorderen.

Recent is een artikel met tussentijdse bevindingen over de vestiging van de wolf als rewilding indicator gepubliceerd in het Britse rewilding magazine ECOS: Return of the wolf in Northwestern Europe – A case of spontaneous rewilding.

→ Artikel over de biologie en ecologie van de wolf.

→ Wolvenlezing

 

Econatura behandelt uiteenlopende cases in ecologische beoordelingen. Recent zijn een aantal filmlocaties voor de film Slag om de Schelde middels een Natuurtoets onderzocht naar de ecologische effecten van kortstondige open air filmsets (gevechtsscenes) in en aan beschermde natuurgebieden (Natura 2000) in Zeeland. Daaruit bleek dat in principe veel aan activiteiten mogelijk is mits in goede banen geleid en mitigatie met oog voor de ruimtelijke en temporele bewegingen van dieren, in dit geval Instandhoudingsdoelen, waaronder watervogels, slechtvalk en zeehonden. Dit heeft met een verkennende Voortoets tot groen licht van de filmopnamen geleid.

In opdracht van een Zweeds bedrijf voerde EcoNatura experimenteel en toegepast ecologisch onderzoek uit naar het diervriendelijk weren van steenmarters en wasberen op locaties waar ze niet gewenst zijn in verband met overlast; bijvoorbeeld op zolders of bij een kippenhok. Tevens is er interesse voor ultrasone wering in Engeland in verband met bescherming van boommarters, namelijk het bevorderen van draagvlak bij kippenhouders of het tegengaan van predatie van vleermuizen door boommarters.

Uit de resultaten met onderzoek met proto-types van speciale ultrasone verjagers blijkt echter tot dusver dat vooral marters en wasberen in hoge mate tolerant zijn voor ultrasoon geluid in het bereik van 15 ‐ 25 kHz en dat slechts een klein deel van de individuen die de experimentele stations bezocht gevoelig zij en vluchtgedrag vertonen. Knaagdieren, katachtigen en hondachtigen (bijvoorbeeld vossen) blijken daarentegen tamelijk gevoelig te zijn voor ultrasoon geluid. Als lokstation werd een T-model sniffer gebruikt.

Het onderzoek gaat verder met nieuwe ontwikkeling van de ultrasone verjagers op basis van de inzichten verkregen uit het huidige onderzoek.

EcoNatura voert in interdisciplinaire samenwerking met H+N+S Landschapsarchitecten en Claus van Wageningen Architecten de invulling van het BREEAM certificaat voor ecologie uit voor het nieuwe RIVM gebouw op de Uithof in Utrecht. Dit geschiedt in opdracht van MEET-RIVM.

In het nieuwe gebouw worden ecologisch uitgekiend en op ecofysiologische principes gefundeerde voorzieningen ingebouwd voor vleermuizen, huismussen, dakbroedende steltlopers (bijvoorbeeld mogelijk scholeksters en visdieven), gierzwaluwen en de slechtvalk. Het ontwerpproces vraagt om een afweging van ecologische effectiviteit en architectonische inpassing; die soms moeilijk zijn te verenigen in verband met velerlei eisen en wensen.

Dit heeft geleidt tot een integrale inpassing van kansrijke faunavoorzieningen in een modern gebouw. Het proces is samengevat door Astrid Bennink van HNS beschreven in  het Duitse landschapsarchitecten magazine BaunetzWoche (→ lees hier het artikel en meer).

Markant en veelbelovend is dat er ondanks dat het RIVM een half jaar geleden nog in casco stond, een slechtvalk boven het gebouw  kwam verkennen.

Op 12 april 2019 geeft de Stichting Kleine Marters haar tweede workshop Kleine marters en de Wet natuurbescherming in de praktijk. Dit keer wordt de workshop gegeven op het prachtige Landgoed & kasteel De Haere van IJssellandschap bij Olst (ten noorden van Deventer), binnen één van onze onderzoeksgebieden.

Naast theorie over de ecologie, onderzoek en bescherming van kleine marters wordt aansluitend een veldcursus inventarisatie en monitoring gegeven. De workshop is gericht op ecologisch adviseurs en ecologen met interesse voor deze kleine roofdieren.

Meer info en aanmelding voor 1 april 2019 bij dhr. J. Mos (secretaris)

In opdracht van de gemeente Deventer is ecologisch onderzoek gedaan naar het functioneren van drie dassentunnels onder een provinciale weg door een bosgebied bij Deventer. Het onderzoek werd uitgevoerd met wildcamera’s en op basis van sporenonderzoek. De tunnels zijn geplaatst in verband de nieuwe vestiging van dassen en boommarters in het gebied circa 10 jaar geleden. Uit het onderzoek blijkt dat de dassen van een burcht die vlak bij de weg ligt regelmatig gebruik maken van één van de tunnels.

Daarnaast maakte ook twee boommarters regelmatig gebruik van deze dassentunnel, ondanks de mogelijkheid voor deze dieren om met gemak het dassenraster te kunnen ‘overspringen’. De marters konden individueel worden herkend aan hun unieke keelvlek; het betrof een volwassen vrouwtje (moer) en een jong dier van dit voorjaar. Voortplanting van boommarters in het gebied is bekend uit meerjarig monitoringonderzoek dat door Erwin van Maanen van EcoNatura wordt uitgevoerd. In totaal passeerde dassen en marters 26 keer gedurende de onderzoeksperiode van vier weken. Ook werden de dieren vastgelegd op vaste wissels die van en naar de faunapassages toe liepen. Verder werden geen andere dieren geregistreerd die van de tunnel gebruik maakte, behalve een gewone bosmuis.

De andere twee tunnels leverde geen detecties van dieren op. In een van deze tunnels bleek langdurig water te staan en één van de mondingen bleek in drassig terrein te liggen. Onderzoek in het achterland toonde er wel de activiteit van dassen, boommarter en steenmarter aan; als mogelijke passanten van de tunnel. De andere tunnel werd ook niet gebruikt. Deze lag droog. In het directe achterland hiervan werden geen marterachtigen aangetoond. Verkeersslachtoffers onder de dassen blijken er sinds de aanleg van de faunapassages met afrastering in het traject van de tunnels niet meer te zijn gevallen; wel net erbuiten. Onder de boommarters is sinds de aanleg nog wel een slachtoffer gevallen. Niet alle boommarters leren om een dassentunnel structureel te gebruiken zoals in dit onderzoek aantoonbaar is gemaakt.

Het onderzoek geeft aanbevelingen voor een betere situering en aanleg van dassentunnels, op basis van landschapsecologisch onderzoek naar het voorkomen van tunnel gebruikende zoogdieren en hun vaste verblijfplaatsen en landschappelijke bewegingen (ligging van burchten, wissels, e.d.) vooraf. De rapportage is verkrijgbaar via de Gemeente Deventer (contactpersoon: de heer E. Lam).

 

Met de nieuwe ontwikkelingen omtrent duurzame energie productie dringt de inrichting van grootschalige solar- of zonneparken zich aan. Dit betekent dat grote open gebieden – meestal landbouwgebieden – aantrekkelijk zijn voor het ontwikkelen van energielandschappen. In Nederland is de aanleg van een zonnepark echter vaak niet zonder landschappelijke en ecologische gevolgen. In sommige gevallen is ook de bescherming van natuurwaarden in het geding.  Tevens ontbreekt kennis over de ecologische gevolgen van zonneparken op langere termijn. Een zorgvuldige ecologische analyse en afweging komt dus bij de landschappelijke inpassing van een zonnepark kijken. Naast uitvoering van een ecologische beoordeling volgt bij voorkeur ook de opstelling van een beheerplan met monitoringplan. Dit dient er uiteindelijk voor te zorgen dat met de aanleg van een zonnepark aan ecologische waarden (bodem en flora & fauna) wordt gewonnen en er een acceptabele trade-off ontstaat met het primair reduceren van CO2-emissie.

In een groot aantal gevallen is het mogelijk om een zonnepark met ecologische winst in te richten en beheren ten opzichte van het voorgaande landgebruik. In veel gevallen zijn het intensief bebouwde landbouwgronden die er voor uit roulatie worden genomen. EcoNatura heeft inmiddels ruime ervaring opgedaan met het ecologisch beoordelen en inpassen van zonneparken in Nederland. Het natuurinclusief inpassen van een zonnepark wordt op basis van landschapsecologische eigenschappen en de meest kansrijke natuurontwikkelingsmogelijkheden onderzocht.

Econatura leverde tot dusver een groot aantal ecologische beoordelingen voor zonneparken in diverse landschappen op. Inmiddels zijn ook de eerste monitoringplannen en inrichtings- en beheervisies voor zonneparken opgesteld.

EcoNatura voert middels de Rewilding Foundation onderzoek uit naar de komst van de wolf op het wolvenfront richting Nederland en naar  het process van spontane verwildering (rewilding) in Duitsland. Tevens wordt onderzoek gedaan naar de komst van de lynx, wilde kat en jakhals richting onze grens.

Methoden zijn getest om de eerste wolven in de regio te kunnen vaststellen. Tevens wordt onderzoek gedaan naar de vestiging van wolvenparen en roedels, het terreingebruik van de wolven en hun wijdere verhoudingen met het landschap, prooidieren en de mens. Hieruit geputte kennis komt zeer van pas bij mogelijk toekomstig wolvenonderzoek in Nederland. EcoNatura bereidt zich daar actief op voor, voor het leveren van adviezen over wolven met wetenschappelijke en op veldervaring gestaafde kennis.

Recent, tijdens dit onderzoek kwam Erwin van Maanen oog in oog met een wilde wolf te staan; een fantastische en tegelijkertijd ook spannende ervaring.  Het dier toonde echter geen agressie, maar was even nieuwsgierig en nam toen de vlucht; wederom een goed teken van dat de wolf de mens liever vermijdt met aangeboren angst.

EcoNatura verzorgt lezingen over de wolf, waarin op objectieve wijze vrijwel alles over de wolf in een notendop de revue passeert.  →Boek hier een wolvenlezing.

Erwin van Maanen van EcoNatura is tevens co-auteur van het boek De Wolf Terug: Eng of Enerverend.

Tijdens een onderzoek naar vleermuizen in Zuid Limburg was er tijd om een onderzoek te doen naar het voorkomen van de Europese wilde kat, met methoden die ook voor onderzoek naar marterachtigen wordt gebruikt – de zogenaamde Jiggler-methode.  Hiermee werden diverse dieren vastgelegd waaronder ook een jong dier. De wilde kat kan zich tot dusver goed handhaven in de oude bossen van het heuvelige limburg. De vraag is nog of de wilde kat zich ook verder zal verspreiden in Nederland. EcoNatura gaat verder onderzoek naar de verspreiding van de wilde kat naar ons land vanuit Duitsland.

Onderzoek roofdieren

 

Nieuwsarchief