Rewilding als effectieve methode voor duurzaam herstel van biodiversiteit

Sinds het Millenium werkt EcoNatura aan meer verwildering van onze natuur op verscheidene schaalniveaus en fronten. Dit is geïnspireerd op de oorspronkelijke Noord-Amerikaanse school van (re)wilding met Prof. Michael Soulé en Reed Noss als grondleggers met visie gepubliceerd in Wild Earth in 1998.

Middels de Nederlandse Rewilding Foundation heeft dat werk geleid tot de stichting van een werkgroep of Thematic Group Rewilding binnen de Commission for Ecosystem Management (CEM). Deze werkgroep bestaat uit wetenschappers uit de hele Wereld met advocatuur voor rewilding als nieuwe en meer integrale natuurbeschermingsbeweging die ook een brede maatschappelijke doorwerking doormaakt.

Rewilding gaat verder dan het louter verwezenlijken van biodiversiteitversterking als som der delen en werkt aan het op holistische wijze borgen en herstellen van meer grootschalige en verbonden ecosystemen. Hierin krijgen belangrijke ecologische processen en toestanden weer functie en ruimte door onder meer het eerherstel van sleutelsoorten, waaronder bijvoorbeeld de wolf maar ook insecten als de honingbij. De IUCN Rewilding groep combineert de kennis en ervaringen van vooraanstaande onderzoekers op het terrein van de conservation biology voor wezenlijke ecologisch maatschappelijke verandering voor een betere wereld.

EcoNatura draagt met visie en wetenschap van de systeem-ecologie bij aan de voortgang van rewilding als nieuw paradigma voor natuurbeschermingsonderzoek gericht op herstel van de biosfeer met effectieve impact tegen klimaatverandering en voor een betere ecologische samenleving. De verwezenlijking van een groot beschermd Natura 2000 gebied in de Roemeense Karpaten is een van de grotere rewilding successen van het werk van EcoNatura en middels de Rewilding Foundation.

Wolves Incorporated met veldonderzoek naar herstel van de ecologische rol van wolven in ons cultuurlandschap en duurzaam samenleven met mensen is een van de specifieke projecten waaraan EcoNatura momenteel werkt.

EcoNatura voert sinds 2016 onderzoek uit naar de spontane rewilding met wolven in het moderne cultuurlandschap van laag Noordwest-Europa. Hiermee wordt, naast detailaspecten van de wolvenecologie, gekeken naar landschapsecologische eigenschappen voor meer en duurzamere vestiging van wolvenroedels in Nederland. Tot dusver komt hieruit naar voren dat de uitgestrektere semi-natuurlijke landschappen met overvloed aan prooidieren veel gunstiger vestigingsmogelijkheden aan de groeiende wolvenpopulatie in West-Nedersaksen bieden dan in het naastgelegen technogenere Oost-Nederland.

Primair van belang voor wolven in groepsverband is het naast reeën kunnen leven van grote hoefdieren, waaronder dam- of edelhert en everzwijn als meer voedzame prooidieren. Secundair van belang is de beschikbaarheid van rust- of kerngebieden met zo weinig mogelijk menselijke invloed, binnen een groter territoriaal leef- en jachtgebied (systeem wolf).

Het ontbreken van deze randvoorwaarden en de landelijke handhaving van de nulstand zal de vestiging van wolven beperken tot het Veluwe Massief. Elders in Nederland zal men toekomstig conflicterend meer te maken krijgen met wandelwolven of lone wolves, die respectievelijk een regio snel doortrekken of een tijdlang in grotere bosgebieden verblijven om daarna elders in de buurlanden te vestigen door een gebrek aan voldoende prooidieren noodzakelijk voor roedelformatie. Verwildering van het platteland in Oost-Nederland, met West-Nedersaksen als ecologische referentie, is essentieel om een grotere wolvenpopulatie in Nederland duurzaam te kunnen accommoderen en conflicten zoveel mogelijk te minimaliseren.

De voorlopige bevindingen worden momenteel uitgebreider in een artikel en in een nieuw wolvenboek beschreven.

 

EcoNatura maakte in opdracht van Rijkwaterstaat een ecologisch werkprotocol voor een riettransplantatie op twee locaties langs het Gooimeer bij Huizen. Dit als onderdeel van een ecologische effectenbeoordeling in het licht van de Wet natuurbescherming.

Het voor een surfclub verwijderde rietland wordt als zode voor rietkraag herstel langs de Pier van Huizen geïmplanteerd. Dit moet voor meer ecologische buffer tegen de recreatieve bedrijvigheid op de pier en als robuuster habitat voor water- en rietvogels gaan zorgen. Het succes van de rietaanplant is afhankelijk van een natuurlijke waterdynamiek en bescherming tegen ganzenvraat.

 

Natuurtoets met zwarte specht

In verband met een kleine ruimtelijke ontwikkeling zou volgens de opdrachtgever mogelijk een zwarte specht in de weg kunnen zitten. Deze heimelijke specht vormt een van de Instandhoudingsdoelen van het Natura 2000 gebied Veluwe. De zwarte specht wordt tegenwoordig bedreigd door vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Dit is nadelig voor het stapelvoedsel van de specht; namelijk rode bosmieren.

Binnen de beperkte invloedsfeer van de recreatieve ontwikkeling is gekeken naar het voorkomen van de zwarte specht. Deze werd tijdens het ecologische quickscan onderzoek met Natuurtoetssnel gevonden, maar bleek op ruime afstand een nestboom in gebruik te hebben. Zwarte spechten hakken met indrukwekkend geroffel elk jaar een nieuwe nestholte, met een voorkeur voor beuken met weinig zijtakken onder de kroon. De verlaten nesten worden dankbaar in gebruik genomen door andere bosdieren, waaronder de boommarter, holenduif en bosuil. De zwarte specht binnen het onderzoeksgebied had midden mei een nest met twee jongen, die stiekem van een afstand vastgelegd konden worden.

Eind goed al goed, want goed gemotiveerd of ecologisch onderbouwd kon het duurzame recreatieve project een groen licht krijgen.

Boommarteronderzoek

Sinds 2010 volgt EcoNatura de populatieontwikkeling van de boommarter op de landgoederen rondom Deventer (Salland). Deze ontwikkeling is spectaculair te noemen. Waar het in het begin nog ging om enkele koloniserende individuen die kenbaar werden als verkeersslachtoffer en later met behulp van cameravallen, valt nu te spreken van hervestiging van boommarters in elk bos van formaat. Tevens is nu al enkele jaren sprake van een voortplantende deelpopulatie.

De succesvolle terugkeer van de boommarter in de regio – net als elders in Nederland – heeft waarschijnlijk te maken met een combinatie van bevorderende factoren, waaronder wettelijke bescherming, het ouder worden van de bossen met aanbod aan nestholten en klimaatverandering. Dat laatste zorgt voor meer aanwas en overleving van boommarters en hun prooidieren; waaronder woel- en bosmuizen; hoewel langdurige droogte mogelijk ook parten kan gaan spelen. Niet alleen de boommarter, maar ook de steenmarter en andere mesocarnivoren hebben baat gehad bij de voorgenoemde factoren. Boommarter en steenmarter, met vergelijkbare leefwijze, blijken als vermoedelijke concurrenten, ook goed samen te kunnen leven in de huidige ecologische toestand van het landschap. De steenmarter heeft naast een landelijke leefwijze ook een stedelijke, terwijl de boommarter het stedelijke gebied vooralsnog vermijdt, maar wel in groene randen kan voorkomen.

Boommarters maken voor hun rust- en voortplantingsplaatsen liefst gebruik van boomholten in loofbomen; gemaakt door spechten of als rottingsholten. Daarnaast worden ook wel verlaten roofvogelhorsten, takkenstructuren en grondholen gebruikt (bijvoorbeeld een verlaten dassenhol). Voortplanting met de geboorte van jongen vind in het voorjaar plaats en omstreeks midden juni gaan de jongen met hun moeder (het moertje) uitgebreid buiten de geboorteplaats op weg naar onafhankelijkheid.

Voor meer informatie over boommarters en onderzoek bezoek de website van de Werkgroep Boommarter Nederland.

Voor informatie over andere marters is de website van de Werkgroep Kleine Marters zeer de moeite waard.

In opdracht van Habitat Advocaten & Juristen is onderzoek gedaan naar de betekenis van bevers en hun leefgebied in gebied Stadsblokken bij Arnhem. Het onderzoek geschiedde op basis van sporenonderzoek, observatie en consultatie van lokale deskundigen. De resultaten tonen aan dat een beverfamilie binnen het plangebied is gevestigd. De dieren maken ruim van het gebied gebruik als voedselgebied en als toevluchtsoord bij hoogwater.

Het onderzoek leverde ook verrassende nieuwe inzichten op in gedrag en ecologie van bevers in een stedelijk milieu en in de omgeving van mensen.

De habitatvoorwaarden voor de bever als strikt beschermde diersoort en doelsoort van het Gelders Natuurnetwerk (Gelderse Poort Noord) conflicteren met de planvorming voor gebied Stadsblokken, waarin nieuwe woningen, horeca en recreatiefaciliteiten uitgebreid door het gebied heen voor ogen staan. Het gebied fungeert in huidige toestand als natuuroase langs de Rijn tussen de stedelijke zones van Arnhem in, met naast de bevers ook andere beschermde soorten; waaronder de bunzing en ijsvogel.

In opdracht van Cabiner BV voerde EcoNatura op verscheidene locaties in Drenthe ecologisch onderzoek uit naar de mogelijkheden voor de low ecological impact plaatsing van enkele zeer verspreide cabins of ‘tiny houses’ in natuurgebieden. Deze huisjes voor een afgelegen en off-the-grid natuurbeleving  of ‘wilderness experience’  worden in samenwerking met terrein beherende organisaties geëxploiteerd; in dit geval Staatsbosbeheer.

Deze nieuwe vorm van kleinschalige en verspreide natuurrecreatie wordt onderzocht als alternatief voor geconcentreerde accommodatie, zoals een natuurcamping. Op de locaties is middels een onafhankelijke ecologische beoordeling gekeken of hier geen verstoringsgevoelige natuurwaarden in het geding zijn, in aanvulling op onderzoek door Staatsbosbeheer. Hieruit blijkt dat het dierenleven zich snel aanpast en de cabins met rustige bewoning voor lief nemen; waaronder dassen, marters, vossen en reeën.

EcoNatura mocht bij wijze van proef in een van de nieuwe “Cabiners” overnachten. Een aanrader voor wie rust in de Nederlandse natuur wil beleven.

Erwin van Maanen van EcoNatura raakte sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw gefascineerd door de wolf en zijn leefwijze. Hij volgt de terugkeer van de wolven naar het westen op de voet, sinds de wolf zich weer vestigde in voormalig Oost-Duitsland rond het Millennium. Tegenwoordig doet hij onderzoek naar de ecologie van de wolf in het moderne cultuurlandschap en de hernieuwde relatie tussen wolven en mensen, waaronder ook conflict resolutie.

Onderzoek richt zich mede op de ecologische rol van de wolf en zijn betekenis als ambassadeur voor spontane verwildering of rewilding. Specifiek wordt gekeken naar wat nodig is om verwildering met de wolf in goede verhouding met menselijke belangen te bevorderen.

Recent is een artikel met tussentijdse bevindingen over de vestiging van de wolf als rewilding indicator gepubliceerd in het Britse rewilding magazine ECOS: Return of the wolf in Northwestern Europe – A case of spontaneous rewilding.

→ Artikel over de biologie en ecologie van de wolf.

→ Wolvenlezing

 

Econatura behandelt uiteenlopende cases in ecologische beoordelingen. Recent zijn een aantal filmlocaties voor de film Slag om de Schelde middels een Natuurtoets onderzocht naar de ecologische effecten van kortstondige open air filmsets (gevechtsscenes) in en aan beschermde natuurgebieden (Natura 2000) in Zeeland. Daaruit bleek dat in principe veel aan activiteiten mogelijk is mits in goede banen geleid en mitigatie met oog voor de ruimtelijke en temporele bewegingen van dieren, in dit geval Instandhoudingsdoelen, waaronder watervogels, slechtvalk en zeehonden. Dit heeft met een verkennende Voortoets tot groen licht van de filmopnamen geleid.

In opdracht van een Zweeds bedrijf voerde EcoNatura experimenteel en toegepast ecologisch onderzoek uit naar het diervriendelijk weren van steenmarters en wasberen op locaties waar ze niet gewenst zijn in verband met overlast; bijvoorbeeld op zolders of bij een kippenhok. Tevens is er interesse voor ultrasone wering in Engeland in verband met bescherming van boommarters, namelijk het bevorderen van draagvlak bij kippenhouders of het tegengaan van predatie van vleermuizen door boommarters.

Uit de resultaten met onderzoek met proto-types van speciale ultrasone verjagers blijkt echter tot dusver dat vooral marters en wasberen in hoge mate tolerant zijn voor ultrasoon geluid in het bereik van 15 ‐ 25 kHz en dat slechts een klein deel van de individuen die de experimentele stations bezocht gevoelig zij en vluchtgedrag vertonen. Knaagdieren, katachtigen en hondachtigen (bijvoorbeeld vossen) blijken daarentegen tamelijk gevoelig te zijn voor ultrasoon geluid. Als lokstation werd een T-model sniffer gebruikt.

Het onderzoek gaat verder met nieuwe ontwikkeling van de ultrasone verjagers op basis van de inzichten verkregen uit het huidige onderzoek.

Nieuwsarchief