Uncategorized

Effecten van kunstlicht op wilde dieren

In verband met de planning van twee nieuwe LED-reclamemasten van Greenledwalls langs de A1 bij Deventer deed EcoNatura onderzoek naar de effecten van kunstlicht op natuurwaarden. Hieruit blijkt dat veel wilde planten en dieren op subtiele wijze in hun ecofysiologie worden verstoord. De algemene wildgroei aan nachtelijk kunstlicht (waaronder straat-, wegen- en reclameverlichting) heeft ook al voor veel uitholling van de biodiversiteit gezorgd.

Veel nacht actieve dieren – waaronder licht gevoelige vleermuissoorten – mijden gebieden met een teveel aan verlichting, waardoor ze niet langer als geschikt leefgebied gewaardeerd kunnen worden. Dagdieren worden in hun nachtrust en energiehuishouding (bioritmen) geraakt. Dit bleek ook uit het onderzoek en dat van anderen.

Het niet langer voorkomen van beschermde dieren en planten in sterk verlichte gebieden en tevens onder andere al langer bestaande milieudruk, geeft feitelijk groen licht voor het plaatsen van nog meer licht;  zoals in dit geval de reclamemasten. Toch kunnen de effecten hiervan geminimaliseerd worden, onder meer door het kunnen uitschakelen en dimmen van de LEDs, bijvoorbeeld op minder verstoring gevend warm LED-licht buiten het groen-blauwe spectrum.

Al met al liet de studie ook zien dat het best wel minder kan met de bestaande verlichting door het SMART uit te dunnen en dimmen.

De bever in het nauw

In opdracht van de Stichting Kloppend Stadshart en in samenwerking met Habitat Advocaten, voert EcoNatura sinds enkele jaren natuurbeschermingsonderzoek uit voor het behoud van een familie bever in de havens van Stadsblokken langs de Neder-Rijn bij Arnhem. Voor het gebied staat een grootschalige bebouwing voor ogen.

Het voorkomen van bevers werd geruime tijd ontkend of gebagatelliseerd. Met hulp en monitoring van de woonbootbewoners (citizen science) werd uiteindelijk een beverburcht met een familie van tenminste acht bevers onomstotelijk vastgesteld en gelokaliseerd. De beverburcht is een in de dichte oevervegetatie verborgen ondergronds hol in een landtong; of aardeburcht. Dit wijkt af van een normaliter goed zichtbare ’takkenburcht’. Waarschijnlijk betreft het een complex en diep gangenstelsel waarmee gedegen rekening moet worden gehouden, in verband met instortingsgevaar wanneer erop gebouwd wordt.

De onderhavige beverfamilie staat los van een andere in het nabijgelegen natuurontwikkelingsgebied Meinerswijk, eerder een twistpunt. Uit het onderzoek van EcoNatura blijkt dat gebied Stadsblokken, met voormalige scheepswerf dat over de jaren verwildert is geraakt, ook andere natuurwaarden herbergt; waaronder de ringslang, diverse andere water- en zangvogels (o.a. de ijsvogel), konijn en (kleine) marterachtigen. Het havengebied is tevens jachtgebied voor grote aantallen vleermuizen, waaronder de watervleermuis en meervleermuis. Onder de rook van Arnhem is het gebied ook van betekenis als verpozings- en recreatiegebied met natuurbeleving.

Het uitgebreide onderzoek met (nacht)observatie verhelderde ook veel aspecten van de sociale leefwijze, habitatgebruik  en foerageergedrag van de bevers.

De rechter oordeelde onlangs op basis van het onderzoek dat er zorgvuldiger moet worden omgegaan met de bescherming van de bevers in het gebied, de andere beschermde natuurwaarden doorgaans nog niet onder de loep genomen. De gebiedsontwikkeling is ook controversieel in verband met de waterhuishouding van het gebied.

Nachtdieren in onze omgeving en bescherming

Uiteindelijk kon met de opheffing van de meeste Corona maatregelen de lezing over nachtdieren onlangs doorgaan, na twee jaar voorbereiding en uitstel. De lezing was in opdracht van Omgevingsdienst IJmond met de vraag te vertellen over de leefwijze en superzintuigen van nachtdieren in onze omgeving en hoe ze hier kunnen overleven. Ook over wat nodig is om nachtdieren effectief in beeld te krijgen (met de nieuwste technologieën), wat belangrijke bedreigingen voor ze zijn en hoe we ze beter kunnen beschermen in een sterk veranderende wereld met veel menselijke invloeden (waaronder toenemende invloed van kunstlicht).

Dit kwam in een notendop aan bod voor een geboeid publiek.

EcoNatura doet al meerdere jaren onderzoek naar het gedrag en habitatgebruik van nachtdieren waaronder uilen, vleermuizen, slaapmuizen, bevers, marterachtigen en recent ook de wolf. Hieruit komen bijzondere nieuwe inzichten naar voren. Er wordt gebruik gemaakt van de nieuwste digitale technieken, waaronder de warmtebeeldcamera.

→ Meer over de lezingen en cursussen van EcoNatura

→ Meer info over de lezing ‘Nachtdieren’

Natuurinclusief in grootstedelijk Amsterdam

EcoNatura werkt momenteel aan ecologische verrijking van drie grote kantoorgebouwen in zuidoost Amsterdam. Een grote uitdaging!

Toch zijn er meestal weer kansrijke mogelijkheden, zoals een groen- of bruindak met biodiversiteitborders en faunavoorzieningen als een slechtvalk- of torenvalkkast, kunstmatige nestplaatsen voor de scholekster en visdief en bloemrijk nectar-biotoop voor wilde nuttige insecten. Systeem-ecologisch gericht op biodiversiteitversterking.

De kunst is om opdrachtgevers te inspireren en enthousiasmeren voor een hoog natuurinclusief ambitieniveau en dat gaat vast lukken. Stay tuned voor de resultaten.

Bemiddeling tussen mensen en wolven

EcoNatura levert onderbouwing voor een advies gericht op meer conflictarme omgang met (zwervende) wolven in de provincie Friesland. Het adviesplan wordt door de Projectgroep Preventie Wolvenschade Fryslân (PPWF) aan Gedeputeerde Staten voorgelegd.

De huidige zwerfwolven problematiek en predatie op met name schapen in de oostelijke provincies vraagt met name om een strategisch toegesneden aanpak met meer integrale beschouwing van het conflict tussen de belangen van mensen (specifiek de veranderende schapenhouderij) en het ecologisch draagvlak voor wolven, samen met de optimale toepassing van wolven werende middelen.

Gebreken in deze drieluik van dimensies rondom bescherming van de wolf verzwakken het maatschappelijk draagvlak of vragen alle drie actueel om versterking.

Meer over onderzoek naar wolven.

Info brochure over het gebruik van fladderlinten of turbofladrie.

IPRA video over de relatie wolven, kuddewaakhonden en wolvenhekken.

 

 

EcoNatura werkt samen met de Gemeente Ooststellingwerf in Friesland aan een citizen science of burgerwetenschap project gericht op het versterken van participatie in het biodiversiteitsbeleid van de gemeente en ondersteuning daarvan. Het project richt zich op vervulling van twee van de speerpunten van het Biodiversiteitsplan, namelijk voor meer kennis over wat er aan natuur leeft en versterking van draagkracht of bewustwording voor meer op ecologie gestoelde natuur in de gemeente.

In het project mogen burgers gestandaardiseerd een maand lang met behulp van beschikbaar gestelde wildcamera’s of een ‘cameraval’ zelf onderzoeken wat er zoal leeft op hun erf. Het project duurt vijf maanden met vijf camera’s beschikbaar. De bevindingen worden verwerkt en gepubliceerd in een rapportage die in de publieke spotlight wordt gezet.

Lees hier het persbericht.

In verband met de transformatie met ecologische inrichting van een voormalig kampeerterrein voor de realisatie van Hotel Heppie, voert EcoNatura momenteel een ecologisch werkprotocol uit voor de compensatie en versterking van habitat voor het Vliegend hert uit. Het plangebied ligt bij Vierhouten op de Veluwe.

Het vliegend hert (Lucanus cervus) is een grote keversoort waarvan de mannetjes met de kenmerkende grote kaken tot circa 7 cm lang kunnen worden. De vrouwtjes zijn een slag kleiner en minder opvallend. Het vliegend hert is één van de meest zeldzame en bedreigde diersoorten van Nederland. De kever komt op maar een paar plaatsen in Nederland voor, meestal lokaal en in relatief lage aantallen, zoals op de Veluwe, Overijssel en in Zuid-Limburg. De soort is sterk gebonden aan oude eikenbossen, met een zeker aanbod hakhout en een afwisseling in bos en veld met warm microklimaat of zonnige exponering.

Het vliegend hert heeft een complexe voortplantingscyclus, die tot zes jaar kan duren. Nadat het vrouwtje eitjes heeft gelegd in de grond bij rottend hout (bij voorkeur van inheemse eik ook andere houtsoorten), verloopt het larvenstadium via drie groeistadia. De larven leven van rottend hout aangetast door witrot. In het laatste stadium maken de grote larven (tot 11 cm groot)  in het najaar een cocon in de bodem om zich te verpoppen om in de navolgende zomer (vanaf juni) volwassen uit de grond te kruipen. De mannetjes vliegen dan rond en vechten met anderen op zogenaamde ‘sapbomen’ (meestal oude eiken), om uiteindelijk vrouwtjes te kunnen bevruchten. Hiermee is de levenscyclus van het Vliegend hert eindelijk rond.

Oude eikenstobben met aardkluit uit verwijderde houtwallen binnen het plangebied zijn voorzichtig uitgegraven en naar een geschikte locatie vlakbij ingegraven, op een zonnige bosplek. Hierbij kwamen naast een meerderheid engerlingen (larven van de meikever) een vijftigtal larven van het vliegend hert vrij. Deze zijn voorzichtig met de stobben mee ingraven in de hoop dat deze hier verder tot volwassenheid komen. Ervaring met zulke mitigerende maatregelen en het succes ervan waren niet voorhanden. Wel is bekend dat de keverlarven in bakken met dood hout in bosaarde onder laboratoriumomstandigheden prima tot volledige volwassenheid komen.

Om het habitat van de kever in de nieuwe landschappelijke inrichting van het gebied met oog voor ecologie te versterken worden aanvullend zogenaamde broedstoven goed gesitueerd en duurzaam aangelegd.

Aandacht voor Aandachtssoorten

In het nieuwe Nederlandse natuurbeleid krijgt biodiversiteit momenteel veel aandacht. Daarin voorop staan diersoorten die het vooral moeilijk hebben en een graadmeter vormen voor de gezondheid van ons milieu en de ecologie die daarin een belangrijke rol speelt. Met versterkende en beschermende maatregelen kan al snel veel gedaan worden om deze en andere soorten een beter leven te geven; en daarmee tegelijkertijd onze leefomgeving weer nieuw leven in te blazen.

Hier allereerst aandacht voor de huismus als snel over het hoofd geziene vogel- en ecologische gidssoort, die dichtbij bij ons in het stedelijke voorkomt maar nog een onzekere status heeft door velerlei milieuveranderingen, waaronder snelle verstedelijking.

De huismus

Iedereen kent wel de huismus, dat tjilpende roodbruine tot vaal gekleurde vogeltje dat vaak in groepjes in de dorpen, parken en op boerenerven leeft. Wat lang niet iedereen weet is dat dit vinkje van het oude platteland het op veel plaatsen moeilijk heeft gekregen in het sterk moderniserende Nederland. Er is zelfs sprake van achteruitgang. Toch kunnen we deze vogel een handje helpen er weer bovenop te komen of om er voor te zorgen dat ze het in stedelijk milieu weer duurzaam beter kunnen krijgen.

De sociale huismus leeft en plant zich voort in kolonies. De vogel bouwt zijn nesten van grasslierten en ander materiaal (zoals paardenhaar, stofjes en papiersnippers) bij voorkeur op plekken in gebouwen, zoals bijvoorbeeld onder de dakpannen. Dat laatste vindt niet iedereen leuk en daarom zijn er ook veel nestplaatsen verloren gegaan door afschermende maatregelen. Ook heeft het bouwbesluit van 2003 er voor gezorgd dat er vrijwel geen dier meer in moderne gebouwen naar binnen kan. Een goed alternatief is het aanbieden van speciale nestkasten of zogenaamde ‘mussenviden’.

Voedsel is naast nestgelegenheid van groot belang. Dit betekent dat de mussen voedsel jaarrond en dicht bij de nestlocaties in ruime mate bij elkaar moeten kunnen scharrelen. Huismussen zijn namelijk zeer honkvast en gebonden aan hun relatief kleine leefgebieden, zoals een groot erf of een straat in een woonwijk. Ze leven vooral van zaden, boomknoppen en ook wel van insecten (waaronder muggen en vliegen; en insecten die schadelijk zijn voor fruitbomen).  Voedselresten van de mens op straat versmaden ze niet, hoewel dat lang niet altijd goed voor ze is.

De nabijheid van water, bijvoorbeeld een vogelbad of vijver vormt een sterk pré.

Naast huisvesting en voedsel is nabijgelegen dekking van groot belang. Mussen schuilen of roesten graag met elkaar in struiken en doen dat bijvoorbeeld graag op vaste plekken zoals in een goed ontwikkelde haagbeukenhaag. Dit geeft ze bescherming tegen hun voornaamste vijanden zoals huiskatten en roofvogels als de sperwer. De nestplaatsen liggen vlakbij de roestplaats een worden ook wel gebruikt als schuilplaats in de winter of bij aanhoudend koud weer.

Habitat versterkende maatregelen voor huismussen

Bij nieuw aanbod of de verliescompensatie van bestaande nestplaatsen, zoals bij de onvermijdelijke afbreuk van een gebouw gelden de volgende randvoorwaarden voor succes.

Aangezien meerdere mussen sociaal samenleven  en broeden volstaat het aanbieden van een enkele nestplaats niet. Zogenaamde combinatie mussenkasten of mussenviden kunnen hiervoor kansrijk worden ingezet. Deze komen meestal standaard met aanbod van drie nestplaatsen. Om een grotere kolonie te bedienen zijn dan ook meerdere van deze kasten naar keuze en ambitie nodig. Meer is altijd beter en dan valt te denken aan het aanbieden van een ‘mussenflat’ of grotere nestkast met aanbod van meer kraamkamers.

De kasten te koop bij verscheidene leveranciers variëren in duurzaamheid en plaatsingsmogelijkheid. Zo zijn er aan de muur te hangen houten nestkasten, maar ook duurzamer in de muur te metselen neststenen die al snel an langdurig door de mussen worden benut (zie voorbeeld navolgend).

Wanneer mussen niet welkom zijn in dakranden, kan als alternatief een zogenaamde vogelvriendelijke vogelschroot worden geplaatst.

Zaak is wel dat de nestkasten op de juiste plek worden geplaatst, liefst op of aan de luwe kant van een gebouw. Namelijk daar met de minste windinvloeden en waar het ’s middags sneller afkoelt en ’s morgens na een koude nacht snel opwarmt. Meestal is dit meest gunstig wanneer de kast op het oosten of zuidoosten is gericht. De plaatsingshoogte is ook van belang op hoogte van minimaal twee meter. Dit beschermt tegen grondroofdieren en de plaatsing dient veilig op afstand van de klimwegen van katten en steenmarters te zijn (bijvoorbeeld niet tegen muren met diepe voegen of bij klimop).

Zorg naast nestgelegenheid ook voor voedsel en beschutting

Het dieet van de huismus bestaat hoofdzakelijk uit zaden van diverse grassen en kruiden, waaronder die van aantrekkelijke wilde inheemse planten als Ambrosia, kaardebol, cichorei en teunisbloem. Daarnaast ook gewassen en kruiden zoals boekweit en zonnebloem. Op de standplaats toegesneden zaadmengels van blijvende inheemse en zaadzettende wilde planten verdienen de voorkeur. Ook omdat ze aantrekkelijk kunnen zijn voor andere dieren, waaronder bijzondere bijen en vlinders. De firma Cruydthoek uit Nijeberkoop van dienst zijn met advies over de juiste zaadmengels met zaadzetting ook goed voor mussen en andere vinkachtigen.

Het laten staan van onkruiden en met name grassen die zaden produceren helpt de huismus ook. Zo ontstaat een zekere balans in onkruidengroei, in toom gehouden door huismussen en andere wilde dieren. Het planten van fruitbomen en struikbomen waaronder hazelaar, meidoorn en Gelderse roos is ook goed voor de huismus, niet alleen als voedselplant maar ook als roestplaats en en beschuttende vegetatie.

Bescherming van de huismus

De huismus is in Nederland een strikt beschermde vogelsoort waarvan de nestplaatsen jaarrond zijn beschermd. Dit betekent dat zorg moet worden genomen voor bestaande nestplaatsen met leefgebied er direct omheen. Voor ingrepen of transformaties op erven met nadelige invloed op de leefvoorzieningen van de huismus en andere beschermde soorten geldt een toetsing aan de Wet natuurbescherming middels de Omgevingsvergunning. Hiervoor is het Kennisdocument Huismus van BIJ12 opgesteld.

EcoNatura voert onderzoek naar het voorkomen van de huismus en beschermingsmaatregelen volgens ornithologisch gestandaardiseerde werkwijze en op systeem-ecologische leest. →Meer informatie of een offerte-aanvraag.

Rewilding als effectieve methode voor duurzaam herstel van biodiversiteit

Sinds het Millenium werkt EcoNatura aan meer verwildering van onze natuur op verscheidene schaalniveaus en fronten. Dit is geïnspireerd op de oorspronkelijke Noord-Amerikaanse school van (re)wilding met Prof. Michael Soulé en Reed Noss als grondleggers met visie gepubliceerd in Wild Earth in 1998.

Middels de Nederlandse Rewilding Foundation heeft dat werk geleid tot de stichting van een werkgroep of Rewilding Thematic Group binnen de Commission for Ecosystem Management (CEM). Deze werkgroep bestaat uit wetenschappers uit de hele Wereld met advocatuur voor rewilding als nieuwe en meer integrale natuurbeschermingsbeweging die ook een brede maatschappelijke doorwerking doormaakt.

Rewilding gaat verder dan het louter verwezenlijken van biodiversiteitversterking als som der delen en werkt aan het op holistische wijze borgen en herstellen van meer grootschalige en verbonden ecosystemen. Hierin krijgen belangrijke ecologische processen en toestanden weer functie en ruimte door onder meer het eerherstel van sleutelsoorten, waaronder bijvoorbeeld de wolf maar ook insecten als de honingbij. De IUCN Rewilding groep combineert de kennis en ervaringen van vooraanstaande onderzoekers op het terrein van de conservation biology voor wezenlijke ecologisch maatschappelijke verandering voor een betere wereld.

EcoNatura draagt met visie en wetenschap van de systeem-ecologie bij aan de voortgang van rewilding als nieuw paradigma voor natuurbeschermingsonderzoek gericht op herstel van de biosfeer met effectieve impact tegen klimaatverandering en voor een betere ecologische samenleving. De verwezenlijking van een groot beschermd Natura 2000 gebied in de Roemeense Karpaten is een van de grotere rewilding successen van het werk van EcoNatura en middels de Rewilding Foundation.

Wolves Incorporated met veldonderzoek naar herstel van de ecologische rol van wolven in ons cultuurlandschap en duurzaam samenleven met mensen is een van de specifieke projecten waaraan EcoNatura momenteel werkt.

EcoNatura voert sinds 2016 onderzoek uit naar de spontane rewilding met wolven in het moderne cultuurlandschap van laag Noordwest-Europa. Hiermee wordt, naast detailaspecten van de wolvenecologie, gekeken naar landschapsecologische eigenschappen voor meer en duurzamere vestiging van wolvenroedels in Nederland. Tot dusver komt hieruit naar voren dat de uitgestrektere semi-natuurlijke landschappen met overvloed aan prooidieren veel gunstiger vestigingsmogelijkheden aan de groeiende wolvenpopulatie in West-Nedersaksen bieden dan in het naastgelegen technogenere Oost-Nederland.

Primair van belang voor wolven in groepsverband is het naast reeën kunnen leven van grote hoefdieren, waaronder dam- of edelhert en everzwijn als meer voedzame prooidieren. Secundair van belang is de beschikbaarheid van rust- of kerngebieden met zo weinig mogelijk menselijke invloed, binnen een groter territoriaal leef- en jachtgebied (systeem wolf).

Het ontbreken van deze randvoorwaarden en de landelijke handhaving van de nulstand zal de vestiging van wolven beperken tot het Veluwe Massief. Elders in Nederland zal men toekomstig conflicterend meer te maken krijgen met wandelwolven of lone wolves, die respectievelijk een regio snel doortrekken of een tijdlang in grotere bosgebieden verblijven om daarna elders in de buurlanden te vestigen door een gebrek aan voldoende prooidieren noodzakelijk voor roedelformatie. Verwildering van het platteland in Oost-Nederland, met West-Nedersaksen als ecologische referentie, is essentieel om een grotere wolvenpopulatie in Nederland duurzaam te kunnen accommoderen en conflicten zoveel mogelijk te minimaliseren.

De voorlopige bevindingen worden momenteel uitgebreider in een artikel en in een nieuw wolvenboek beschreven.

 

Nieuwsarchief