In opdracht van de Gemeente Deventer zijn acht faunapassages (zes dassentunnels en twee wildbruggen) in de periode augustus–oktober 2025 onderzocht op gebruik en effectiviteit. De resultaten tonen grote verschillen in functioneren. Slechts één tunnel functioneert zeer goed, met veelvuldige en structurele passages van das, boommarter, steenmarter en bunzing. Twee dassentunnels functioneren matig met beperkt gebruik door enkele soorten. De wildbruggen over het Overijssels Kanaal en de A1 laten aanwijzingen voor gebruik zien, maar hun effectiviteit wordt beperkt door menselijke verstoring door medegebruik and landschappelijke barrières. De overige faunapassages functioneren slecht tot zeer slecht; daar werden nauwelijks of geen daadwerkelijke passages vastgesteld.

De effectiviteit blijkt sterk afhankelijk van ligging, aansluiting op bestaand leefgebied, aanwezigheid van vaste dierwissels, droogte van de tunnel en beperkte verstoring. Slecht functionerende passages liggen vaak in intensief agrarisch gebied, kampen met wateroverlast of dichtgegroeide mondingen, of worden beïnvloed door menselijke activiteit en markering door huis- en andere dieren. Conclusie: slechts een klein deel van de onderzochte faunavoorzieningen levert aantoonbaar een substantiële bijdrage aan veilige migratie en habitatverbinding; gerichte aanpassingen in inrichting, onderhoud en situering zijn noodzakelijk om het ecologisch rendement van de overige passages te verbeteren.

Als bijzondere bijvangst is een wasbeerhond vastgelegd, voor het eerst in de gemeente Deventer.

Meer over onderzoek naar het functioneren van faunapassages en wegenecologie

Nieuwsarchief